De tuin
Stuk grond om het huis. Ook wel tuin genoemd. Wij Nederlanders zijn gek op de tuin en vooral op tuinieren. Inmiddels heeft elk zichzelf respecterende televisiezender wel een eigen tuinprogramma. En iedereen die ook maar iets denkt te weten van tuinieren, schrijft er een boek over. Ik ben ook gek op de tuin maar laat het tuinieren liever aan anderen over. Maar vandaag moest het. Het kon niet meer wachten. Het gras stond meer dan twee kontjes hoog wat wel weer lekker is uit privacy-oogpunt maar het ruimetelijke effect wordt er niet beter op. Dus ik ga de tuin in. Vorig jaar heb ik besloten gras te laten leggen. "Zo lekker voor de honden". Ja heerlijk voor de honden. De ene ligt nooit in het gras en de ander alleen als ik in de tuin bezig ben met grasmaaien…. [voor wie de hond niet kent: deze diersoort heeft de neiging te allen tijde en overal voor je voeten te lopen dan wel te gaan liggen waar jij op dat moment een soort van actie wil gaan ondernemen, bijvoorbeeld stofzuigen, koken of grasmaaien]. Goed. We gaan maaien. Vorig jaar is mij een zogenaamde zweefmaaier cadeau gedaan. Tweedehands weliswaar. Maar goed. Ik begrijp nu waarom de gulle gever hem aan mij heeft gegeven; onze relatie is sindsdien ook enigszins bekoeld moet ik zeggen. De zweefmaaier werkt met kleine plastic mesjes. Briljant systeem. Alleen die mesjes slaan zo om de haverklap stuk als het gras iets te hoog is. Mijn gras was meer dan iets te hoog, dus het tempo waarin ik mesjes versleten heb lag zeker drie keer zo hoog dan anders. Dus… twee uur later heb ik een gazonnetje van – pak-m-beet – 4×4 gemaaid. Ik was kapot. Tien mesjes armer, heel veel gras te harken en op te ruimen. O wat heb ik een spijt. Als haren op mijn hoofd. Van gras. Omdat ik mezelf daarna dan vreselijk zielig vind maar toch wel erg trots ben, neem ik een biertje. Of twee. Vervolgens tracteer ik mezelf op asperges met aardappelpuree, hardgekookt ei en gesmolten boter en ga dat in de tuin opeten. Zo hoort het. In de tuin moet je zitten en genieten. Punt.
